Varkenshouder gemangeld door politiek

Causaal verband tussen schade en onrechtmatig handelen niet aangenomen

Smartnewz AR 2018/4566

Een echtpaar voert in de vorm van een maatschap een varkenshouderij. Zij hebben twee zoons die op enig moment in de maatschap treden. Varkensrechten worden in de maatschap ingebracht. In verband met gewenste planologische ontwikkelingen elders, beoogt de gemeente de varkenshouderij te verplaatsen naar een duurzame vervangende locatie. Dit is in lijn met een provinciale beleidsregeling.

De zittende gemeenteraad is, zo wordt later verklaard, unaniem voorstander van wijziging van het bestemmingsplan. De familie sluit een overeenkomst teneinde de oude locaties te sluiten en te slopen. De koopsom beloopt € 2.015.168,‐ Het plan is om vervolgens op een nieuwe locatie een varkensstal te realiseren. Deze locatie koopt men aan voor € 800.000,‐, waarna diverse trajecten worden ingezet om benodigde vergunningen (milieu, welstandscommissie etc) te verkrijgen. Een en ander lijkt in kannen en kruiken. Inmiddels haalt de minister van LNV het besluit tot registratie van de overdracht van varkensrechten door. De toenmalige wederpartij zou daar niet over hebben kunnen beschikken en dus ook niet hebben kunnen overdragen. De aanvraag van diverse vergunningen wordt – in afwachting van ontwikkelingen – even geparkeerd. De Rabobank heeft als gevolg van het intrekken van de varkensrechten een rem gezet op de financieringsbereidheid van de verplaatsing. Na een bestuursrechtelijke procesgang verklaart het College voor Beroep en Bedrijf het door de maatschap ingestelde beroep gegrond. In de maatschappij leeft dan de Q‐koorts discussie op.

Bij de gemeenteraadsverkiezingen komen partijen in de raad die beduidend minder op hebben met de varkenshouderij. De nieuwe coalitie stelt het aangepaste bestemmingplan vast, maar zonder het hoofdstuk over de beoogde locatie. De ouders zijn inmiddels uit de maatschap getreden.

De zoons stellen de Staat aansprakelijk voor schade, waaronder gederfde winst, geleden door de onrechtmatige doorhaling van de varkensrechten. Zij stellen dat als gevolg van de doorhaling de financiering stokte en dat daardoor plannen die zeker goed zouden zijn gekeurd door de oude coalitie, nadien zijn gesneuveld. Zij vorderen afzonderlijk € 1.008.443,‐ dan wel (voorwaardelijk) vanwege de maatschap € 1.446.734,67, met de gebruikelijke nevenvorderingen. De grondslag is onrechtmatig handelen en schending van artikel 1 van het eerste protocol van het EVRM.

De rechtbank oordeelt dat vaststaat dat de doorhaling van de varkensrechten onrechtmatig was. Voor aansprakelijkheid van de staat is vereist dat causaal verband tussen schade en het onrechtmatig handelen vast komt te staan. Voorts oordeelt de rechtbank dat de zoons niet, maar de maatschap wel vorderingsgerechtigd is. Het is verder aan de maatschap, bij inhoudelijke  betwisting door de Staat, om aan te tonen dat het causaal verband aanwezig is. Voldoende aannemelijk is dat de Rabobank bereid was te financieren indien de varkensrechten niet zouden zijn ingetrokken. Onvoldoende aannemelijk is echter dat onder de gestelde omstandigheden de plannen voor de nieuw te realiseren varkensstal zonder slag of stoot door de gemeenteraad zouden zijn geloodst en goedgekeurd.

De rechtbank neemt daarbij in overweging dat een bestuursrechtelijke procedure, gelet op de naar voren gebrachte realistisch te achten bezwaren, tenminste 17 maanden zouden hebben gevergd. De rechtbank overweegt voorts dat de destijds bestaande bezwaren tegen Mega‐stallen en de Q‐koorts discussie tot een andere opstelling van de gemeenteraad leidde.

De rechtbank acht het daarom waarschijnlijk dat de oude plannen niet zouden worden goedgekeurd, waarbij er in redelijkheid niet van kon worden uitgegaan dat de zoons alsnog snel de beschikking zouden hebben gehad over een onherroepelijke bouw‐ en milieuvergunning. De rechtbank concludeert dat ook als er geen doorhaling van de varkensrechten zou hebben plaatsgevonden en een verzoek om een wijziging van het bestemmingsplan tijdig zou zijn ingediend, het nog zeer onzeker was dat een voor de maatschap gunstige bestemmingsplanwijziging zou zijn doorgevoerd en de benodigde vergunningen zouden zijn verleend. Daarmee ontbreekt het vereiste conditio sine qua non‐verband voor aansprakelijkheid van de Staat, de rechtbank wijst de vorderingen af.

Robert Lonis

Okkerse & Schop Advocaten maakt voor deze website gebruik van cookies en daarmee vergelijkbare technieken. Cookies zijn kleine digitale tekstbestanden die in de browser worden geplaatst bij het bezoek aan een website. Okkerse & Schop Advocaten gebruikt functionele cookies om de website naar behoren te laten functioneren. Analytische cookies worden gebruikt om het websitegebruik te analyseren en de website te verbeteren. Met het gebruik van functionele cookies en analytische cookies worden geen persoonsgegevens verwerkt. U kunt uw cookievoorkeuren op ieder moment aanpassen door de instellingen van de browser te wijzigen. Raadpleeg ons privacy- en cookie statement voor meer informatie.