Schending zorgplicht tussenpersoon, geen aansprakelijkheid voor schade omdat realiseren van hogere dekking effectief onmogelijk was

Een juwelier spreekt zijn assurantietussenpersoon aan. Na een overval is de assurantietussenpersoon tekortgeschoten in diens zorgplicht jegens de juwelier. Kort na de eerste overval licht de tussenpersoon de juwelier voor, de vraag rijst of deze voorlichting toereikend was. Bij tussenvonnis stelde de Rechtbank vast dat in onvoldoende mate de belangen van de juwelier zijn behartigd door hem onvoldoende in te lichten omtrent de verhoging van zijn polis en de vergoeding bij overvalschade. Uit de processtukken volgt dat de juwelier de bedoeling had om juist voor overvalschade beter verzekerd te zijn. Uit verschillende correspondentie als gevoerd met de verzekeraar volgt dat bij verhoging van overvaldekking zeer wel aanvullende beveiligingsmaatregelen verplicht zouden worden gesteld. Voorlopige dekking verleent de verzekeraar bij verhoging niet, dekking gaat pas in nadat te stellen aanvullende eisen zijn gerealiseerd. Kort na de voorlichting door de assurantietussenpersoon vindt nogmaals een overval plaats. De vraag ligt nu voor of het vastgestelde schenden van de zorgplicht tot gevolg had dat de juwelier schade leed. Voor de  beoordeling van die vraag dient de Rechtbank de hypothetische situatie waarbij de juwelier volledig zou zijn voorgelicht te vergelijken met de werkelijke situatie.

Het komt ‐ aldus de Rechtbank ‐ bij de vaststelling van de hypothetische situatie in de kern hierop neer; is het aannemelijk dat zowel een opdracht tot verhoging van de dekking als het daadwerkelijk ingaan van die dekking in de korte periode die volgde op de voorlichting na de eerste overval en het moment de tweede overval plaatshad indien de voorlichting wel volledig was? De vragen die de Rechtbank in verband met deze kwestie voorlegt leiden tot de vaststelling dat na volledige voorlichting de juwelier opdracht zou hebben gegeven tot verhoging van de relevante rubriek en de dekking. De verzekeraar zal vervolgens aanvullende eisen stellen. Gelet op het tijdsverloop dat volgde na de tweede overval blijkt dat de juwelier tussen het overleg met de tussenpersoon en de  tweede overal niet zou hebben kunnen realiseren dat de dekking van kracht zou zijn geworden. De Rechtbank concludeert dan ook dat zelfs indien de juwelier volledig en juist zou zijn ingelicht én hij op dat moment op basis van die informatie opdracht zou hebben gegeven tot verhoging van de dekking, die verhoging desondanks nog niet zou zijn gerealiseerd, zodat ook in dat hypothetische geval nog sprake zou zijn geweest van onderverzekering en de schade gelijk zou zijn aan de schade die in de werkelijke situatie is geleden. De schade die de juwelier vordert ontstond daarom niet als gevolg van de met de handelwijze van de assurantietussenpersoon. De Rechtbank wijst de vorderingen af en compenseert de kosten.

Mr. Robert Lonis, mei 2017

Share on facebook
Share on google
Share on twitter
Share on linkedin

Okkerse & Schop Advocaten maakt voor deze website gebruik van cookies en daarmee vergelijkbare technieken. Cookies zijn kleine digitale tekstbestanden die in de browser worden geplaatst bij het bezoek aan een website. Okkerse & Schop Advocaten gebruikt functionele cookies om de website naar behoren te laten functioneren. Analytische cookies worden gebruikt om het websitegebruik te analyseren en de website te verbeteren. Met het gebruik van functionele cookies en analytische cookies worden geen persoonsgegevens verwerkt. U kunt uw cookievoorkeuren op ieder moment aanpassen door de instellingen van de browser te wijzigen. Raadpleeg ons privacy- en cookie statement voor meer informatie.