ALMERE | LELYSTAD

Coronavirus – wat betekent dit voor jouw onderneming?

036 5346220

Bel elke werkdag tussen 10 en 11 naar ons GRATIS telefonisch spreekuur voor al je vragen over ondernemingsrecht, arbeidsrecht en familierecht 

Sjakko van Raaijen

Sjakko als advocaat:

Sjakko is in 1996 beëdigd als advocaat en sindsdien werkzaam bij Okkerse & Schop Advocaten. In januari 2002 is hij partner geworden. Vanaf april 2019 is hij voorzitter van de maatschap.

Hij studeerde Nederlands Recht aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam, waarbij de nadruk lag op ondernemings- en arbeidsrecht. Als advocaat vindt hij het belangrijk om zijn cliënten regelmatig persoonlijk te spreken en met ze mee te denken over hun bedrijf.

“Ik ben graag faciliterend voor mijn klanten. Dat wil zeggen, dat ik er van geniet om met mijn kennis en ervaring mijn klanten te helpen om keuzes te maken. Soms linksaf, soms rechtsaf, maar altijd met de blik naar voren”.

“Kennis is macht en als ik dat ten gunste van mijn klanten kan gebruiken, dan geeft dat niet alleen bij mijn klanten een goed gevoel. Als advocaat moet je daarom zorgen dat je juridisch scherp blijft en je kennis up-to-date houdt. Om die reden investeer ik graag in zware specialisatie opleidingen en het lidmaatschap van juridische verenigingen op mijn rechtsgebied.  Ik vind het bovendien een voorrecht om jonge advocaten te kunnen begeleiden en net zo enthousiast te maken over het vak als ik zelf ben”.

Sjakko privé:

“Ik ben graag actief bezig, hardlopen is één van mijn favoriete bezigheden. Ik heb al meerdere marathons gelopen. Dat is een enorme uitdaging en ik ben dan ook steeds weer superblij en trots wanneer het me gelukt is. Thuis heb ik een mooi gezin, waarmee ik ook graag sportief op pad ga. Ik denk dat het wedstrijdelement wel in mijn DNA zit, ik wil graag winnen!”

Werkveld:

In de sectie ondernemingsrecht adviseert en procedeert Sjakko over geschillen in en rond ondernemingen (tussen aandeelhouders, bestuurders, joint ventures, vennoten of geschillen met financiers en banken). Ook stelt hij contracten op, adviseert en begeleidt bij een doorstart na faillissement en adviseert en voert procedures over de aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen. Sjakko wordt door de Rechtbank regelmatig benoemd als curator in faillissementen. Op het gebied van het arbeidsrecht houdt hij zich bezig met advisering over reorganisaties, het begeleiden van werknemers of werkgevers bij (individuele) ontslagdossiers of bij andere arbeid gerelateerde geschillen.

Rechtsgebieden:

Opleiding en nevenactiviteiten:

Testimonials (deze titel niet verwijderen)

Testimonials

  • Oprechte betrokkenheid

    “Ik ben bijzonder tevreden over de manier waarop Okkerse & Schop mijn zaak snel en grondig heeft geanalyseerd, overgenomen, beetgepakt en behartigd. Vanaf het begin was er oprechte betrokkenheid, heldere communicatie, vertrouwen, eerlijkheid en judicieus advies. Mijn advocaat Sjakko van Raaijen was goed bereikbaar, toegankelijk, begripvol en handelde altijd in mijn belang. Deze lijn heeft zich gedurende de gehele looptijd van het dossier voortgezet. Ik ben bijzonder tevreden. Kortom: Service met een hoofdletter S.”

    | Cliënt Arbeidsrecht

     

  • Betrouwbare en kundige adviseurs

    “De wereld mooier maken, warmer en gezelliger is de missie van Edelman. Dat vertaalt zich in een strategie waarbij wij klanten ontzorgen met superieure service, kwaliteit en professionaliteit. Helaas hebben we ook regelmatig juridische kwesties te managen waarbij wij partners zoeken die passen in onze filosofie. Ontzorgen en professionaliteit zien we ook terug bij Okkerse & Schop Advocaten. Om die reden werken we inmiddels al wat jaren samen. Met Sjakko van Raaijen en Bas van Dijen hebben we korte lijnen. In hen vinden we betrouwbare en ter zake kundige adviseurs, die echt met ons meedenken en snel en adequaat inspringen op onze vragen en behoeften. En, ook niet onbelangrijk, die zaken voor ons winnen.”

    | Edelman | Ronald van Veen | CEO

  • Belangrijke partner

    “De afgelopen jaren heb ik zeer prettig samengewerkt met Okkerse & Schop en met name met Sjakko van Raaijen. Als huis advocaat van onze onderneming in Almere hebben Sjakko en zijn team ons actief ondersteund op het gebied van zakelijke contracten, algemene inkoopvoorwaarden, arbeidsgeschillen tot zelfs strafrechtelijke zaken. Korte, directe lijnen, zeer snelle opvolging en inhoudelijke goede adviezen zijn uiteindelijk de basis van deze fijne samenwerking. In het afgelopen jaar is de samenwerking met Okkerse & Schop verder uitgebreid met Phuong Nguyen en haar team. Haar persoonlijk benadering en zeer kundige adviezen hebben bijgedragen aan een fijne samenwerking op het gebied van privacy,  security en specifiek GDPR. Zowel Sjakko als Phuong waren voor mij een ervaren, kundige en betrouwbare schakel voor mijn positie als Operationeel Directeur.”

    | ReflexSystems | Quintijn Knepper | Operationeel Directeur

  • Snelle reactie en duidelijke antwoorden

    “Als MKB in de regio zijn we erg tevreden over de samenwerking met Okkerse & Schop Advocaten in verband met  de snelle reactie op al onze vragen en de duidelijke antwoorden en adviezen die wij krijgen. Als kleiner bedrijf met 70 tot 80 fte komt er ook vaak emotie om de hoek kijken die een duidelijk zicht kan vertroebelen. Sjakko helpt het zakelijk te houden en bij de kern te blijven, zonder het oog voor het menselijke te verliezen. Voor ons is Okkerse & Schop Advocaten onmisbaar.”

    | Iscal Sugar | Jan-Arent de Vos van Steenwijk |  General manager

  • Accuraat, snel en vakbekwaam

    “Okkerse en Schop Advocaten is een kantoor met zeer ervaren advocaten. We hebben al jaren een goed en informeel contact met Sjakko van Raaijen. Zijn hulp bij het oplossen van juridische vraagstukken is accuraat, snel en vakbekwaam. Men is duidelijk naar de klant toe met betrekking tot de mogelijkheden en kosten. De prijs- kwaliteitsverhouding is absoluut top! Okkerse & Schop Advocaten is het aanbevelen waard!”

    | Forms Broker Group BV | Leo van Sunder | Directeur

  • Afspraken worden goed na gekomen

    “Bij Okkerse en Schop Advocaten ben je geen dossier. Wanneer u besluit contact op te nemen met de advocaten van Okkerse en Schop, dan maakt u een juiste keuze. Zij hebben oog voor mensen. U bent bij hen geen dossier en zij verliezen de achterliggende belangen niet uit het oog. Dat is waar het bij juridisch advies om draait. Onze advocaat houdt ons altijd op de hoogte van de vorderingen die er gemaakt worden en helpt ons te ontzorgen van het probleem. In het bijzonder Sjakko van Raaijen: afspraken worden goed na gekomen, transparante communicatie, en uitmuntende kennis op gebied van Ondernemersrecht zijn kenmerkend voor hem.”

    | Ford dealer Schurer-Kamphuis | Evert Schurer | Directeur

Kennis

  • Aansprakelijkheid accountant bij begeleiding dividendbesluit

    In een eerdere bijdrage berichtte ik al, dat een accountant aansprakelijk kan zijn ten opzichte van derden met wie hij geen contractuele band (opdrachtrelatie) heeft. Een recente uitspraak van de rechtbank Rotterdam illustreert nog eens dat dit bepaald geen theoretische mogelijkheid is.

    Door de algemene vergadering van aandeelhouders van een besloten vennootschap werd op enig moment een besluit genomen tot een dividenduitkering van ruim €1 miljoen. De uitkering werd verrekend met de  rekeningcourant schuld van de enig aandeelhouder – bestuurder aan de besloten vennootschap. Ruim een jaar later gaat de vennootschap failliet. Op het moment van het dividendbesluit had de vennootschap al betalingsproblemen, was er al een liquiditeitstekort voorzien voor het lopende jaar en werd er verlies geleden. De aandeelhouder – bestuur wist of behoorde daarmee te weten dat de vennootschap binnen afzienbare tijd niet meer zou kunnen voldoen aan de opeisbare verplichtingen.

    Wanneer een B.V. een winstuitkering wil doen, moet het bestuur van de vennootschap toetsen of het daarmee niet de uitbetaling van opeisbare schulden aan de overige crediteuren in gevaar brengt. Als dat zo is dan moet het bestuur niet meewerken aan de uitvoering van het dividendbesluit (zulks op straffe van aansprakelijkheid van de bestuurder). Onder de gegeven omstandigheden stelde de curator de bestuurder (-aandeelhouder) met succes aansprakelijk voor het tekort dat was ontstaan door het dividendbesluit.

    Vervolgens sprak deze op zijn beurt met succes de accountant aan die hem had begeleid bij het dividendbesluit. De accountant was op de hoogte van de financiële situatie binnen de vennootschap. Hoewel de rechtbank vond dat het primair de verantwoordelijkheid van de bestuurder is om een inschatting te maken of de toekomstverwachtingen een dividenduitkering toelaten, overweegt de rechtbank ook dat dat onverlet laat dat van een accountant die een vennootschap begeleidt bij een dividendbesluit in het algemeen verwacht mag worden dat hij daarbij ook ten opzichte van de bestuurders van de vennootschap de zorg betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar verwacht mag worden. Die norm werd in deze zaak niet gehaald. En dat gold te meer nu het accountantskantoor zich juist profileerde als specialist op het gebied van kwesties als deze.

    Vragen over vennootschapsrechtelijke kwesties of (beroeps-) aansprakelijkheid? Neem contact op met één van onze gespecialiseerde advocaten.

    Sjakko van Raaijen 

     

  • Algemeen verbintenissenrecht in het arbeidsrecht

    Door de Corona situatie verkeerde een werkgever in een bedrijfseconomisch moeilijke fase. De werkgever vroeg om die reden aan een werknemer in te stemmen met de beëindiging van zijn dienstverband door een vaststellingsovereenkomst te sluiten. Dat deed de werknemer. Op grond van de wet betreffende de arbeidsovereenkomst had de werknemer daarna nog 14 dagen de tijd om de vaststellingsovereenkomst zonder opgaaf van redenen te ontbinden. In een zaak die onlangs voorlag bij de rechtbank Den Haag was de vraag aan de orde of daarna de vaststellingsovereenkomst nog kan worden vernietigd wegens dwaling. Dat is een leerstuk uit het algemeen verbintenissenrecht.

    De werknemer stelde dat de werkgever niet eerlijk tegen hem was geweest bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst. Achteraf bleek hem dat door de werkgever de NOW regeling was aangevraagd, waardoor de beëindiging van zijn dienstverband wellicht niet zo noodzakelijk was als door hem gedacht/door de werkgever was gesteld. De werknemer stelde in de procedure dat als hij dat destijds geweten zou hebben, hij de vaststellingsovereenkomst niet gesloten zou hebben. In de procedure bij de rechtbank vorderde hij daarom vernietiging van de vaststellingsovereenkomst wegens dwaling.

    De rechter overwoog dat vernietiging van een vaststellingsovereenkomst op grond van dwaling op zich niet is uitgesloten. Wel dient de rechter in dat geval terughoudendheid toe te passen gelet op het feit dat partijen bij vaststellingsovereenkomsten vaak in een zekere onzekerheid verkeren, en juist daarom een vaststellingsovereenkomst sluiten. Een vaststellingsovereenkomst is er nu juist om in onzekere of onduidelijke situaties (voor beide partijen) duidelijkheid te scheppen. In verband met de bijzondere aard van vaststellingsovereenkomsten (waarbij de nadruk ligt op rechtszekerheid) dient volgens de rechtbank een dwaling die juist datgene betreft waarvoor het geschil of de onzekerheid bestond, voor rekening van de dwalende te blijven.

    In deze zaak stond vast dat de NOW-subsidie ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst nog niet aan de werkgever was toegekend. Het was ook nog zeer pril in de corona pandemie, zodat er op dat moment nog allerlei onzekerheden bestonden rondom de NOW-regeling en de daaraan verbonden voorwaarden. Pas later bleek het de werknemer dat de werkgever een uitkering op grond van de NOW-regeling had gekregen. De rechter was daarom van oordeel dat de dwaling een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft. En op grond van de wet kan een vernietiging van een overeenkomst wegens dwaling niet worden gegrond op een uitsluitend toekomstige omstandigheid. Het beroep op dwaling van de werknemer werd daarom afgewezen, temeer het een vaststellingsovereenkomst betrof en de lat daarbij dan hoog ligt.

    Heeft u vragen over arbeidsrechtelijke onderwerpen? Neem dan gerust contact met ons op.

    Sjakko van Raaijen

  • Deeltijdontslag

    Als u als werkgever wordt geconfronteerd met een structurele en aanzienlijke terugloop van de orderportefeuille, kan het helaas onvermijdelijk zijn om één of meer dienstverbanden geheel te beëindigen. Bij de spelregels en uitdagingen die daarbij spelen wordt in een van de andere bijdragen in deze reeks rond het thema reorganisatie stilgestaan. Maar het kan ook wenselijk zijn om een of meerdere dienstverbanden niet geheel te beëindigen, maar die wel in uren terug te brengen. Is dat dan mogelijk, vraagt u zich wellicht af. Ja er zijn inderdaad mogelijkheden. Als tweede onderwerp in deze reeks wordt hier stilgestaan bij het fenomeen “deeltijdontslag”. Voor deel 1 over NOW 3.0, klik hier.

    De wet kent op zich niet een ontslag voor slechts een beperkt aantal uren. De arbeidsovereenkomst wordt als ondeelbaar gezien en wordt dus in zijn geheel opgezegd of ontbonden. Maar er kunnen  situaties zijn waarbij de noodzakelijke vermindering van de gecontracteerde arbeidsuren in het bedrijf niet ten koste kan gaan van een “heel dienstverband”(één arbeidsplaats). Daar is in de praktijk iets op bedacht. Het zogenaamde “deeltijdontslag”. De werknemer wordt dan via een procedure bij het UWV ontslagen voor de volle omvang van zijn dienstverband en vervolgens direct weer terug in dienst genomen voor minder uren dan het voormalige dienstverband. Een voorbeeld waarin dat uitkomst biedt, is de situatie waarbij uw bedrijf zich bezighoudt met het plaatsen van zonwering/rolluiken en u twee medewerkers in dienst heeft. Als door een teruglopende orderportefeuille het werk sterk is afgenomen en het personeelsbestand dient te worden verminderd, kunt u niet de arbeidsovereenkomst met slechts één medewerker beëindigen. Voor het plaatsen van zware rolluiken is de inzet van twee medewerkers tegelijkertijd vereist. Als u als werkgever zo’n situatie aannemelijk kunt maken, dan zal het UWV meewerken aan het verzoek om “deeltijdontslag” van beide werknemers.

    In de door het UWV gehanteerde regels is opgenomen dat sprake moet zijn van omstandigheden, gelegen in de functies van de werknemers of in de wijze waarop functies met elkaar samenhangen, en die noodzakelijk maken dat de werkgever een groter aantal werknemers voor (deeltijd-)ontslag voordraagt dan het aantal arbeidsplaatsen dat komt te vervallen. De regels vervolgen:
    De door betrokkenen verrichte werkzaamheden kunnen zo specifiek en specialistisch zijn dat deze niet onderling uitwisselbaar zijn. In dat geval kan spreiding van de inkrimping over alle medewerkers geoorloofd zijn. Dit kan zich ook voordoen bij bijvoorbeeld rooster technische problemen, afname van schoonmaakwerkzaamheden bij verschillende werkgevers, werkzaamheden die redelijkerwijs niet solitair te verrichten zijn en verplichtingen in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet om met meerdere werknemers tegelijkertijd op de werkplek aanwezig te zijn.

    U kunt de teruggang in arbeidsomvang natuurlijk ook in goed overleg met uw werknemers vormgeven. Dat legt u dan vast in een specifiek geformuleerde vaststellingsovereenkomst. Op deze wijze worden ww belangen van de werknemer ook gediend. Let er op dat werknemer ook bij het deeltijdontslag aanspraak kan maken op een transitievergoeding, te berekenen naar evenredigheid van de arbeidsvermindering.

    Het komt er op aan dat uw verzoek aan het UWV deugdelijk wordt gemotiveerd en degelijk wordt onderbouwd. Wij helpen u daar graag bij. Ook voor advies over hoe en wanneer het gesprek met uw medewerkers aan te gaan en voor het opstellen van een vaststellingsovereenkomst kunt u natuurlijk bij de advocaten van onze sectie arbeidsrecht terecht.

    Sjakko van Raaijen

  • Een verzoek tot toekenning van een transitievergoeding dient tijdig te worden ingediend

    Onlangs heeft de Hoge Raad een uitspraak gedaan die onderstreept dat je goed moet opletten wanneer er fatale termijnen in het spel zijn. In deze zaak zegde een werkgever een arbeidsovereenkomst met een werknemer op “per 1 maart”. Daarbij werd door de werkgever geen transitievergoeding aan de werknemer toegekend. De werknemer was het met dat laatste niet eens. De wet stelt dat de werknemer in zo’n situatie aan de kantonrechter kan vragen hem/haar ten laste van de werkgever een transitievergoeding toe te kennen. De wet stelt wel dat de werknemer dat dient te doen “binnen drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd”. De werknemer begreep de opzegging  “per 1 maart” zo dat de laatste werkdag 28 februari was en dat de arbeidsovereenkomst op 1 maart eindigde. Door de werknemer werd op 30 mei een verzoek tot toekenning van een transitievergoeding ingediend bij de kantonrechter. De werknemer meende daarmee op tijd te zijn.

    De Hoge Raad overwoog echter dat arbeidsovereenkomsten (tenzij iets anders is overeengekomen of gebruikelijk is) worden opgezegd tegen het einde van een maand, waarbij de arbeidsovereenkomst dan aan het einde van de laatste dag van de maand eindigt. Dat geldt ook voor een opzegging van de arbeidsovereenkomst “per” de eerste dag van de maand, indien niet uit een schriftelijke overeenkomst of gebruik volgt dat de opzegging de arbeidsovereenkomst pas op de eerste dag van de maand laat eindigen. Dat betekent volgens de Hoge Raad dat in dit geval de arbeidsovereenkomst ook aan het einde van de laatste werkdag (28 februari) eindigde. Dat betekende volgens de Hoge Raad dat de termijn van drie maanden waarbinnen het verzoek tot toekenning van een transitievergoeding moest worden gedaan, begon op de eerste dag na de laatste werkdag en afliep aan het einde van de met die laatste werkdag overeenstemmende dag drie maanden later. De termijn eindigt volgens de Hoge Raad dus in beginsel steeds aan het einde van de dag met hetzelfde nummer als dat van de laatste werkdag. Dat was in dit geval 28 mei. De werknemer was daarom in dit geval te laat en liep daarmee ruim € 53.000,– mis.

    Vragen over het ontslaan van een werknemer of wordt u zelf geconfronteerd met een ontslag? Neem contact op met één van onze advocaten van de sectie arbeidsrecht.

    Sjakko van Raaijen

  • Is uw bedrijf getroffen door de gevolgen van Corona?

    Werkgevers die getroffen worden door een bijzondere situatie die niet onder het normale ondernemersrisico valt (in die zin dat er daardoor tijdelijk minder werk is), kunnen in aanmerking komen voor werktijdverkorting. Het idee daarachter is dat een werkgever die zijn personeel tijdelijk over minder uren hoeft uit te betalen, meer kans heeft om te overleven.

    Als er als direct gevolg van de bijzondere omstandigheid (in dit geval dus het coronavirus) in een bepaalde periode ten minste 20% minder werk is, dan kan de werkgever voor zijn personeel een vergunning voor werktijdverkorting aanvragen. De periode van vermindering van bedrijvigheid dient ten minste 2 en maximaal 24 kalenderweken in beslag te nemen om voor werktijdverkorting in aanmerking te komen. Als de vermindering van bedrijvigheid naar verwachting langer duurt dan 24 weken, zal geen ontheffing worden verleend. Dat komt omdat de ontheffing slechts bedoeld is als overbrugging van een betrekkelijk korte periode van verminderde bedrijvigheid. Een vergunning wordt overigens niet verleend over de periode voorafgaand aan de datum waarop de aanvraag is gedaan en voor oproepkrachten met een nul-urencontract en uitzendkrachten kunt u ook geen werktijdverkorting aanvragen.

    Zodra u als werkgever een vergunning voor werktijdverkorting heeft, kunt u voor uw werknemers voor de niet-gewerkte uren een WW-uitkering aanvragen bij het UWV. Als aan de voorwaarden voor de WW-uitkering wordt voldaan, zal de uitkering door het UWV aan u worden overgemaakt. Gedurende de vergunningsperiode betaalt u dan het loon aan de werknemer gewoon door. Uw werknemers blijven bij u in dienst.

    Meer weten over werktijdverkorting? Neem contact op met een van onze arbeidsrechtadvocaten.

    Sjakko van Raaijen  

  • It ain’t over till it’s over….

    Onlangs deed de rechtbank Gelderland (Arnhem) een uitspraak waarin kaders zijn gegeven voor de beoordeling van de situatie, waarin de kantonrechter een ontbinding van de arbeidsovereenkomst had uitgesproken wegens een verstoorde verstandhouding tussen werkgever en werknemer, de werknemer vervolgens daartegen in hoger beroep was gekomen (waardoor het door de kantonrechter uitgesproken einde van de arbeidsovereenkomst nog niet definitief was) en de werknemer in de tussentijd in kort geding vorderde om zolang er geen uitspraak in het hoger beroep was die het oordeel van de kantonrechter bevestigde, “gewoon” zijn werk te mogen blijven doen (de werkgever had hem zolang op non-actief gesteld).

    De werkgever voerde aan dat het niet mogelijk was om de werknemer weer toe te laten tot zijn werkzaamheden omdat er sprake was van een al veel langer durende verstoring van de relatie tussen de werknemer enerzijds en collega’s en zijn leidinggevenden anderzijds. Vanwege het gedrag van de werknemer zou er binnen de organisatie een grote afkeer tegen de werknemer zijn.

    De rechtbank stelt voorop dat een arbeidsovereenkomst niet zonder meer recht geeft op het mogen verrichten van arbeid. Aan de andere kant is een non-actiefstelling zeer ingrijpend. De rechtbank oordeelt dat sprake moet zijn van “dusdanig zwaarwegende omstandigheden dat van de werkgever in redelijkheid niet langer gevergd kan worden dat hij de werknemer tot de bedongen arbeid toelaat”.

    In de zaak die in het kort geding ter beoordeling voorlag, heeft de rechtbank de vordering van de werknemer om weer tot zijn arbeid te worden toegelaten, toegewezen. Dat de arbeidsovereenkomst zou eindigen stond vanwege het ingestelde hoger beroep nog niet definitief vast en het eerdere oordeel van de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, was daarom geen reden om de vordering van de werknemer tot tewerkstelling af te wijzen. Ook het feit dat de werkgever volhardend was in de wens om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, de stelling dat een terugkeer ongewenst was en dat er tussen partijen wrijvingen waren, was voor de rechtbank onvoldoende reden om de wedertewerkstelling af te wijzen. De werknemer hoefde de directeur met wie hij gebrouilleerd was, bij zijn werkzaamheden bijvoorbeeld niet tegen te komen. En dat de werkgever inmiddels iemand anders had ingeschakeld voor de werkzaamheden van de werknemer, komt voor zijn eigen rekening en risico.

    Heeft u vragen over ontslag, non-actiefstelling of andere arbeidsrechtelijke kwesties? Neem contact op met een van onze arbeidsrecht specialisten.

    Sjakko van Raaijen

  • Koopovereenkomst schriftelijk opzeggen

    De rechtbank Rotterdam deed onlangs een uitspraak die onderstreepte dat het verstandig is om afspraken helder vast te leggen en om even ruggespraak te houden met een advocaat. Wat was er aan de hand?

    Tussen twee professionele partijen was een koopovereenkomst gesloten betreffende een onroerende zaak. In verband met mogelijke leveringsproblemen van de zijde van de verkoper werd een ontbindingsclausule opgenomen. Op enig moment stuurde de verkoper per e-mail een bericht aan de notaris dat er door hem een beroep werd gedaan op de ontbindende voorwaarde. In de daarop volgende procedure bij de rechtbank kwam de vraag aan de orde of de verkoper wel op de juiste manier de ontbinding had ingeroepen. Door de koper werd gesteld dat een e-mailbericht niet gelijk kon worden gesteld met een schriftelijke mededeling van het inroepen van de ontbindende voorwaarde zoals bedoeld in de koopovereenkomst. De rechtbank ging hierin echter niet mee. In de koopovereenkomst was niet meer bepaald dan dat de mededeling schriftelijk moest worden gedaan. Aan het schriftelijkheidsvereiste werd in de koopovereenkomst geen nadere invulling gegeven (bijvoorbeeld door voor te schrijven dat ontbinding van de koopovereenkomst alleen bij (aangetekende) brief zou kunnen). In zo’n geval vindt het standpunt dat met een e-mail niet aan het schriftelijkheidsvereiste zou zijn voldaan, geen steun in de wet of de jurisprudentie.

    Het liep dus goed af voor de verkoper. Hij hoefde alsnog niet te leveren. Maar discussie/problemen had(den) voorkomen kunnen worden als er iets meer aandacht zou zijn besteed aan de redactie van de koopovereenkomst of wanneer de verkoper zich even had laten adviseren over de wijze waarop hij de ontbinding inriep. Het had een kleine moeite geweest naast een e-mail ook een briefje te sturen.

    Wilt u een overeenkomst laten beoordelen of wilt u een overeenkomst laten opstellen? Neem dan contact met ons op.

    Sjakko van Raaijen 

  • Nog altijd geen handhaving Wet DBA

    Alweer ruim 5 jaar geleden schreven mijn collega, Elsa Bruggink en ik over het einde van de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) en de inwerkingtreding per 1 mei 2016 van de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie (“Wet DBA”). Met de Wet DBA is de zogenaamde modelovereenkomst geïntroduceerd. Een opdrachtgever en opdrachtnemer kunnen hun relatie in zo’n modelovereenkomst vastleggen op zo’n manier dat de Belastingdienst dat niet zal kwalificeren als een dienstbetrekking of fictieve dienstbetrekking. Partijen doen dat door de in de modelovereenkomst gemarkeerde bepalingen niet te wijzigen of verwijderen. Alle overige bepalingen kunnen partijen dan – mits er geen strijdigheid met die gemarkeerde bepalingen optreedt – aanpassen.

    De Belastingdienst kan vervolgens achteraf en steekproefsgewijs controleren of de werksituatie ter plekke ook overeenstemt met het papier van de overeenkomst. Destijds schreven wij dat die handhaving pas een jaar later zou starten, zodat men tot die tijd kon wennen aan het gebruik van de modelovereenkomsten. Nu, vijf jaar na de invoering van de Wet DBA, heeft de staatssecretaris aangegeven dat ook na 1 oktober 2021 door de Belastingdienst nog altijd niet handhavend zal optreden. Reden? In 2020 liet het kabinet weten dat de Wet DBA (alweer) zou worden vervangen door een nieuwe regeling, omdat de Wet DBA niet had gebracht wat men ervan had verwacht. Tevens is in 2021 gestart met de pilot van een webmodule: door het invullen van een aantal vragen kunnen partijen meer zekerheid krijgen over de contractuele relatie met een zzp’er. Althans, de pilot biedt geen (absolute) zekerheid, maar enkel en alleen een indicatie.

    Met het vooruitzicht van de webmodule en nieuwe wetgeving heeft het kabinet destijds aangegeven dat de Belastingdienst in elk geval tot 1 oktober 2021 niet zou gaan handhaven, omdat men verwachtte rond dat moment de nieuwe regelgeving te hebben. Nieuwe fiscale regels voor de kwalificatie van een arbeidsrelatie laten echter op zich wachten, onder meer omdat nu sprake is van een demissionair kabinet. Voor besluitvorming omtrent nieuwe wetgeving zal gewacht worden op een nieuw kabinet en ook de pilot van de webmodule wordt overigens pas na 1 oktober 2021 geëvalueerd. Daarom heeft Staatssecretaris Vijlbrief de Tweede Kamer inmiddels laten weten dat de Belastingdienst ook na 1 oktober 2021 niet zal beginnen met de handhaving ter bestrijding van schijnzelfstandigheid.

    Daarop geldt evenwel één uitzondering: de Belastingdienst treedt wel op bij kwaadwillendheid: daarvan is sprake als er opzettelijk een situatie van evidente schijnzelfstandigheid ontstaat of blijft bestaan en de opdrachtgever dat had kunnen weten. Overigens rust de bewijslast dat er sprake is van kwaadwillendheid bij de Belastingdienst.

    Heeft u vragen over de modelovereenkomsten of het vormgeven van uw relatie met een zzp’er? Neem gerust contact op met de specialisten van Okkerse & Schop Advocaten.

    Simon Booij

  • Waarom je een contract altijd moet laten controleren door de specialist

    Onlangs deed de rechtbank Rotterdam uitspraak in een zaak die het belang onderstreept om documenten die een juridische waarde hebben door een professionele partij te laten opstellen.

    Aan de orde was een zaak waarbij door partijen zelf een overeenkomst was opgesteld. Het betrof een geldleningsovereenkomst waarin – kort gezegd – stond, dat door de ene partij per een bepaalde datum een bedrag van € 100.000,– aan de andere partij werd uitgeleend. De overeenkomst was op diezelfde datum gedateerd en de overeenkomst vermeldde dat de rente vanaf diezelfde datum ging lopen. Volgens de uitlenende partij was op diezelfde datum het geldbedrag contant overhandigd.

    Los van een hoogoplopende discussie over de vraag of de op de overeenkomst staande handtekening van de geldnemer wel of niet vervalst was, wie nu precies de uitlenende partij bij de overeenkomst was (dat was erg onduidelijk opgeschreven) en een discussie over de toelaatbaarheid van de hoogte van de vermelde rente, werd door de in de overeenkomst genoemde geldnemer ontkend dat hij de geldsom contant in ontvangst had genomen. Omdat hij stelde niets te hebben ontvangen, hoefde hij naar zijn mening ook niets terug te betalen. Aan de rechtbank een moeilijke taak om te beslissen.

    De rechtbank overweegt dat een onderhandse akte zoals een leningsovereenkomst in beginsel dwingend bewijs oplevert van een daarin opgenomen verklaring van een partij omtrent datgene wat de akte bestemt te bewijzen. In de overeenkomst was opgenomen dat “de kredietgever een bedrag van € 100.000,– aan kredietnemer heeft verstrekt”. Een voor de hand liggende uitleg daarvan is dan dat het geld daadwerkelijk is overhandigd. Dat zou dan dwingend bewijs hebben kunnen opleveren.

    Maar volgens de wet levert een onderhandse akte waarin verbintenissen van één partij zijn vastgelegd weer géén dwingend bewijs op als het gaat om verbintenissen tot betaling van een geldsom, indien die partij de verbintenissen (in dit geval de geldleningsovereenkomst) niet in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf is aangegaan en de akte niet geheel met de hand heeft geschreven of die heeft voorzien van een goedkeuring die de geldsom voluit in letters vermeldt (“goed voor honderdduizend euro”). Omdat dit nu juist ontbrak, diende de bewezenverklaring dat het geldbedrag daadwerkelijk was overhandigd, uit allerlei bijkomende omstandigheden te worden afgeleid (o.a. de tekstuele uitleg van de akte, Whatsapp berichten waarin wordt gesproken over de lening, een verklaring van familie van de geldverstrekker en de ongeloofwaardigheid van de inhoud van een verklaring van de geldnemer). Een hoop moeite, wat voorkomen had kunnen worden.

    Zit u midden in contractbesprekingen en heeft u behoefte aan ruggespraak, of wilt u zelf een overeenkomst laten opstellen? De advocaten van de sectie ondernemingsrecht helpen u graag verder.

    Sjakko van Raaijen

     

     

  • Zorgplicht accountant jegens derden

    Begin dit jaar heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over de vraag of een accountant/belastingadviseur aansprakelijk kan zijn ten opzichte van een partij met wie deze geen contractuele band heeft. Aan de orde was een zaak waarbij een onderneming die motorsloepen bouwde werd overgenomen. Enige tijd later werd de onderneming failliet verklaard. De overnemende partijen stelden hierop de bij de overname betrokken accountants/belastingadviseurs aansprakelijk wegens beroepsfouten. De overnemende partijen voerden aan dat zij bij de overname hadden vertrouwd op de aan hen ter beschikking gestelde en door de accountants/belastingadviseurs opgestelde jaarcijfers en andere stukken, waaruit – ten onrechte – het beeld naar voren kwam dat de onderneming financieel gezond was.

    De Hoge Raad bepaalde -kort gezegd- dat een partij zoals de accountant onder omstandigheden aansprakelijk kan zijn jegens een derde, ook al bestaat er geen contractuele band tussen hen. Indien de accountant, gezien het belang dat een derde aan zijn rapportage zal hechten, er rekening mee moet houden dat die derde zijn gedrag mede laat bepalen door de inhoud van de rapportage, kán het nalaten om maatregelen te treffen ter voorkoming dat die derde aan zijn rapportage ten onrechte of onjuiste betekenis toekent, in strijd zijn met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (onrechtmatige daad). De vraag of een accountant bij de uitoefening van een niet – wettelijke taak jegens een derde heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot betaamt, dient te worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval.

    Heeft u vragen over de aansprakelijkheid van professionele dienstverleners, of wordt u als professional zelf aangesproken? Neem contact op met een van onze advocaten. Wij staan u graag ter zijde.

    Sjakko van Raaijen

delen via:

Share on twitter
Share on linkedin
Share on email

Okkerse & Schop Advocaten maakt voor deze website gebruik van cookies en daarmee vergelijkbare technieken. Cookies zijn kleine digitale tekstbestanden die in de browser worden geplaatst bij het bezoek aan een website. Okkerse & Schop Advocaten gebruikt functionele cookies om de website naar behoren te laten functioneren. Analytische cookies worden gebruikt om het websitegebruik te analyseren en de website te verbeteren. Met het gebruik van functionele cookies en analytische cookies worden geen persoonsgegevens verwerkt. U kunt uw cookievoorkeuren op ieder moment aanpassen door de instellingen van de browser te wijzigen. Raadpleeg ons privacy- en cookie statement voor meer informatie.