Kan de eigen aangifte van het faillissement van een B.V. een grond zijn voor bestuurders aansprakelijkheid?

Indien een onderneming in financiële moeilijkheden is gekomen, dan zal het bestuur zich moeten afvragen of de onderneming nog levensvatbaar is. Indien het bestuur de onderneming niet langer levensvatbaar acht zal zij – na hiervoor toestemming gekregen te hebben van de algemene vergadering van aandeelhouders – het eigen faillissement van de onderneming dienen aan te vragen. Indien het bestuur er voor kiest om te lang ‘door te modderen’ dan levert dit mogelijk een grond op voor bestuurdersaansprakelijkheid. Maar wat nu indien het bestuur wel over gaat tot het aanvragen van het eigen faillissement, kan dit ook een grond voor bestuurdersaansprakelijkheid opleveren? Onlangs heeft het Gerechtshof Den Bosch hierover geoordeeld (ECLI:NL:GHSHE:2017:4030).

Feitelijke situatie

Tussen twee aandeelhouders A en B (beiden zijn tevens bestuurder) van de betreffende onderneming ontstaat er een geschil, hetgeen er toe leidt dat B (namens zijn holding) de managementovereenkomst opzegt. De aandelen worden door B vervolgens ook aangeboden aan de overige aandeelhouders. Op 17 oktober 2011 vond er vervolgens een aandeelhoudersvergadering plaats. Geagendeerd was hoe men verder moest met de onderneming alsmede de toestemming van de algemene vergadering van aandeelhouders om het faillissement van de onderneming aan te vragen. Op de aandeelhoudersvergadering wordt overeenstemming bereikt over het vertrek van B. De aandeelhouders geven ook toestemming voor het aanvragen van het faillissement, “indien dit noodzakelijk mocht blijken”.

Nadien werd nog tweemaal een algemene vergadering van aandeelhouders gehouden waarbij telkens de continuïteit van de onderneming en de financiële problemen aan de orde waren en er werd besloten leningen aan te trekken bij investeerders. Op 27 december 2011 besluit A het eigen faillissement van de onderneming aan te vragen. De toelichting die A op de faillissementsaanvraag heeft gegeven is dat het vertrouwen bij de investeerders weg was, zij de toegezegde investering niet meer zouden storten en de salarissen daardoor niet langer betaald konden worden. Als bestuurder vond A het daarom niet langer verantwoord om de onderneming nog langer voort te zetten. De rechtbank spreekt het faillissement van de onderneming uit.

Standpunt curator en oordeel rechtbank

De curator stelt A als bestuurder vervolgens aansprakelijk voor het faillissementstekort. De curator stelt zich namelijk op het standpunt dat A niet bevoegd was tot het aanvragen van het faillissement en dat het uitgesproken faillissement een gevolg is van het handelen van A. De rechtbank volgt het standpunt van de curator en komt tot het oordeel dat door A kennelijk onbehoorlijk is bestuurd. Ook werd aandacht besteed aan de vraag of de toestemming om het faillissement aan te vragen überhaupt nog bestond, of dat deze was vervallen omdat het geschil met B inmiddels was opgelost. De toestemming voor de aanvraag van het eigen faillissement werd jegens B als drukmiddel gebruikt.

Oordeel Hof

Het Hof ging hier aan voorbij en oordeelde dat deze discussie niet relevant was. Immers, alle betrokkenen hadden in de periode tussen 17 oktober en 27 december 2011 de continuïteit van de onderneming voor ogen. Na de eerstgenoemde algemene vergadering van aandeelhouders vonden er nog twee plaats. De financieel problematische situatie was weliswaar een belangrijk agendapunt, maar over een faillissement werd niet gesproken. Wél werden er leningen aangetrokken en werd er een nieuwe algemene vergadering van aandeelhouders ingepland voor januari 2012. Onder die omstandigheden had A daarom niet zomaar het eigen faillissement van de onderneming mogen aanvragen. Zelfs indien A wel had kunnen denken dat het besluit om het faillissement van de onderneming aan te vragen hem die bevoegdheid gaf, dan had hij gelet op de verstreken tussenliggende periode, de aangetrokken lening, de betrokkenheid van de aandeelhouders en hun opstelling tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders mee dat hij niet zonder overleg met de aandeelhouders het faillissement had mogen aanvragen.

Daarnaast hield het aandeelhoudersbesluit om het eigen faillissement aan te vragen, geen onvoorwaardelijke toestemming in. Immer, gesproken werd van het aanvragen van het eigen faillissement “indien dit noodzakelijk mocht blijken”. A had hier een eigen beoordeling moeten maken. Volgens het Hof heeft A onvoldoende gesteld en aannemelijk gemaakt dat de onderneming eind december 2011 materieel failliet was. De rechtbank was bij de faillissementsaanvraag ook onjuist voorgelicht door A, alleen al nu de te betalen salarissen wel waren betaald. Door de aandeelhouders is geen verzet ingesteld tegen het faillissement van de onderneming, hetgeen niet af doet dat de oorzaak van het faillissement een rechtstreeks gevolg is van het handelen van A.

De rechtbank heeft aldus het Hof terecht geoordeeld dat door A kennelijk onbehoorlijk is bestuurd en A is daarom aansprakelijk voor het tekort in het faillissement.

Wilt u advies over het aanvragen van een faillissement of heeft u vragen over bestuurdersaansprakelijkheid? Neem dan contact op met Okkerse & Schop Advocaten.

Mariska Zentveldt

Okkerse & Schop Advocaten maakt voor deze website gebruik van cookies en daarmee vergelijkbare technieken. Cookies zijn kleine digitale tekstbestanden die in de browser worden geplaatst bij het bezoek aan een website. Okkerse & Schop Advocaten gebruikt functionele cookies om de website naar behoren te laten functioneren. Analytische cookies worden gebruikt om het websitegebruik te analyseren en de website te verbeteren. Met het gebruik van functionele cookies en analytische cookies worden geen persoonsgegevens verwerkt. U kunt uw cookievoorkeuren op ieder moment aanpassen door de instellingen van de browser te wijzigen. Raadpleeg ons privacy- en cookie statement voor meer informatie.