Geen dekking vanwege ontbrekende veiligheidsvoorzieningen? Wie eist, bewijst!

Bij het realiseren van een uitbouw (houtskeletbouw) schrijft het bouwbesluit dan wel de bouwvergunning brandwerende voorzieningen voor. De uitbouw bevat een afvoerpijp. Er mag geen contact zijn tussen de afvoerpijp en de houten dakconstructie. Er breekt brand uit in de uitbouw. De schade lijkt met name groot te zijn geweest rondom de doorgang van de afvoer in het dakbeschot. In eerste aanleg luidt het oordeel van de Rechtbank dat de schade als gevolg van de brand vergoed dient te worden. In Hoger Beroep laat het Hof appellante toe tot het bewijs van haar stelling dat bij het realiseren van de uitbouw de  voorgeschreven brandwerende maatregelen niet zijn getroffen. Een tweede bewijsopdracht, met betrekking tot kosten van herstel, blijkt na memoriewisseling beslecht. In verband met de bewijsopdracht worden getuigen gehoord. De partijgetuige verklaart dat haar opviel dat de afvoerpijp open was en dat er geen steenwol zichtbaar was. Andere getuigen verklaren dat de dakdoorvoer van de aanbouw volledig was weggebrand. Een van hen verbindt daaraan de conclusie dat de houten constructie te strak tegen de afvoerpijp aanzat waardoor een strijkijzereffect kon optreden. De andere getuigen verklaren dat er ruimte tussen de afvoerpijp en het dakbeschot zat en dat glaswol en gipsbeplating is aangebracht.

Het Hof oordeelt dat appellante (vermoedelijk de verzekeraar) niet is geslaagd in het bewijs dat de brandwerende maatregelen niet werden getroffen. Daarbij acht het Hof van belang dat één van de getuigen verklaarde dat er ruimte tussen het dakbeschot en de afvoerpijp zat en dat geen van de overige getuigen uit eigen waarneming heeft kunnen verklaren dat die ruimte er niet was. De conclusie met betrekking tot het strijkijzereffect van een van de getuigen berust niet op een naar de oorzaak van de brand gedaan onderzoek, zodat het Hof geen grond ziet die conclusie over te nemen. De brandwerende bekleding stond op de bouwtekeningen. Dit vormt een aanwijzing dat deze ook werd aangebracht. Op basis van fotomateriaal stelt het Hof vast dat er na de brand veel rommel lag en dat de situatie onoverzichtelijk was. Dat enkele getuigen verklaarden na de brand geen (resten van) isolatiemateriaal te hebben waargenomen acht het Hof (mede) daarom niet doorslaggevend. Het Hof benadrukt dat de bewijslast, en daarmee het bewijsrisico, van het ontbreken van veiligheidsvoorzieningen op appellante rust. Het gaat er daarom niet om of bewezen is dat de voorzieningen aanwezig waren, maar of bewezen is dat deze ontbraken. Het Hof oordeelt dat dit niet het geval is. Voor verdeling van de schade op grond van eigen schuld is geen aanleiding. Het Hof overweegt in dat verband dat van het ontbreken van een brandklep geen verwijt te maken valt. Het verwijt dat men onderverzekerd was strand op de overweging dat er op betrokkenen geen plicht jegens appellante rustte zich tegen de gevolgen van brand te verzekeren. Het Hof oordeelt dat een bedrag van € 18.056,85 toewijsbaar is. Voor het overige – partijen zijn over en weer in het gelijk en ongelijk gesteld – compenseert het Hof de proceskosten in Hoger Beroep en bekrachtigt voor het overige het vonnis in eerste aanleg.

Mr. Robert Lonis, november 2017

Share on facebook
Share on google
Share on twitter
Share on linkedin

Okkerse & Schop Advocaten maakt voor deze website gebruik van cookies en daarmee vergelijkbare technieken. Cookies zijn kleine digitale tekstbestanden die in de browser worden geplaatst bij het bezoek aan een website. Okkerse & Schop Advocaten gebruikt functionele cookies om de website naar behoren te laten functioneren. Analytische cookies worden gebruikt om het websitegebruik te analyseren en de website te verbeteren. Met het gebruik van functionele cookies en analytische cookies worden geen persoonsgegevens verwerkt. U kunt uw cookievoorkeuren op ieder moment aanpassen door de instellingen van de browser te wijzigen. Raadpleeg ons privacy- en cookie statement voor meer informatie.