Bestuurders; informeer je kredietverstrekker over een ouder pandrecht!

Kredietverstrekkers willen graag zekerheid dat hun vordering wordt terugbetaald. In verband hiermee worden er regelmatig zekerheidsrechten gevestigd op activa van de schuldenaar, bijvoorbeeld in de vorm van een pandrecht. Hierbij kan het ook voorkomen dat op een dezelfde zaak meerdere pandrechten worden gevestigd. Dit kan nog weleens problemen opleveren wanneer een tweede pandhouder niet op de hoogte is gebracht van het feit dat er reeds een pandrecht is gevestigd op de betreffende zaak. De tweede pandhouder wordt tweede pandhouder, terwijl hij in de veronderstelling verkeerde dat hij eerste pandhouder zou worden. Dat maakt nogal een verschil. Op 1 december jongstleden heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2015:4975) zich uitgelaten over een dergelijke kwestie en dan met name over de positie van de bestuurder die betrokken is geweest bij het vestigen van de pandrechten.

Recente rechtspraak

Het arrest gaat over het volgende. Bestuurder X is tussen 1995 en 2 augustus 2002 (voor tenminste 70%) aandeelhouder en bestuurder van International B.V. (hierna: International) geweest. Tevens is hij enig aandeelhouder en bestuurder van Prevan B.V. (hierna: Prevan). Prevan heeft aan International een lening verstrekt. Ter zekerheid tot terugbetaling van deze lening is middels een daartoe bestemde akte een pandrecht gevestigd op bedrijfsinventaris van International. Op 25 september 2001 heeft bestuurder X deze pandakte namens beide partijen ondertekend.

Bij akte van 7 mei 2003 is vervolgens sprake van novatie* van het pandrecht. In de op 19 mei 2003 geregistreerde pandakte is opgenomen dat International bevoegd is tot verpanden en dat op de verpande zaken een eerste pandrecht rust ten gunste van de ING-bank en een tweede pandrecht ten gunste van Prevan.

In 2004 is de kredietverstrekking overgenomen door ABN Amro. Doordat het krediet door ING werd opgezegd, kwam haar pandrecht op de bedrijfsinventaris te vervallen. Hierdoor kreeg Prevan van rechtswege een eerste pandrecht op de bedrijfsinventaris. Bestuurder X heeft dit niet doorgehad. Hij heeft op 11 juli 2004 namelijk een pandakte getekend waarin onder andere de bedrijfsinventaris werd verpand aan ABN Amro en verklaard dat er geen ander pandrecht rustte op de bedrijfsinventaris en dat het pandrecht van ABN Amro het eerste pandrecht in rang was.

In november 2007 speelt het probleem op en komt de vraag naar voren wie er eerste pandhouder is, ABN Amro of Prevan. ABN Amro verzoekt bestuurder X te bevestigen dat zij eerste pandhouder is. Bestuurder X weigert dit. Naar aanleiding hiervan besluit ABN Amro om het krediet niet verder uit te breiden.

Inmiddels is niet meer bestuurder X, maar bestuurder Y bestuurder van International. Bestuurder Y besluit namens International om bestuurder X in een procedure te betrekken nu International schade ondervindt van het feit dat ABN Amro weigert om het krediet verder uit te breiden. International vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat bestuurder X onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door de pandakte van 11 juli 2004 te ondertekenen en op grond daarvan aansprakelijk is voor de schade die International daardoor lijdt. Bij International is een liquiditeitsprobleem ontstaan doordat ABN Amro het krediet heeft opgezegd.

Rechtbank

De rechtbank heeft geoordeeld dat bestuurder X op grond van een onbehoorlijke taakvervulling als bestuurder (conform artikel 2:9 BW) inderdaad aansprakelijk kon worden gehouden voor de door International geleden schade. Bestuurder X heeft volgens de rechtbank onrechtmatig gehandeld doordat hij de pandakte van 11 juli 2004 heeft getekend.

Gerechtshof

Bestuurder X is tegen het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Ook het gerechtshof oordeelt dat bestuurder X onbehoorlijk heeft gehandeld op grond van artikel 2:9 BW en dat hem hiervan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Volgens het gerechtshof staat het vast de bestuurder X in strijd met de waarheid op 11 juli 2004 in de pandakte heeft verklaard dat International bevoegd was om aan ABN Amro een eerste pandrecht te verschaffen. Dat was International immers niet, nu Prevan eerste pandhouder was geworden doordat het eerder gevestigde eerste pandrecht van ING was komen te vervallen. Bestuurder X heeft gesteld dat hem als niet-jurist deze finesses van het pandrecht niet bekend waren zodat hij niet aansprakelijk kan worden gehouden. Het gerechtshof meent echter dat dit bestuurder X niet kan baten.

Volgens het gerechtshof is het de verantwoordelijkheid van een bestuurder van een vennootschap dat hij datgene wat hij ondertekent in zodanige mate begrijpt, waardoor hij geen met de waarheid strijdige verklaring aflegt. Het is ook de verantwoordelijkheid van een bestuurder om, indien hij ter zake onvoldoende kundig is, zich door deskundige adviseurs te laten voorlichten zodat fouten en vergissingen worden vermeden die schadelijk kunnen zijn voor de vennootschap. Daar komt nog bij dat, volgens het gerechtshof, bij bestuurder X bekend had moeten zijn dat er een ouder pandrecht van Prevan op de verpande zaken rustte. Hij had immers zelf die oudere pandakte ondertekend en bovendien was Prevan een 100% vennootschap van hemzelf, waarvan hij de enige bestuurder is en was.

Bestuurder X heeft volgens het gerechtshof, bij het verstrekken van het pandrecht aan ABN Amro, niet het inzicht en de zorgvuldigheid betracht die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult. Bestuurder X kan een ernstig verwijt worden gemaakt zodat hij aansprakelijk is voor de door International geleden schade en te lijden schade.

Conclusie

Bij het aangaan van een krediet en een daaraan gekoppeld pandrecht is het van groot belang dat een bestuurder op de hoogte is van eventueel reeds aanwezige pandrechten en in dat kader dus geen onjuiste mededelingen doet. Dit kan ertoe leiden dat een bestuurder aansprakelijk wordt gehouden voor daaraan gekoppelde schade, zoals uit dit artikel is gebleken.

Mocht u naar aanleiding hiervan vragen hebben, dan kunt u vrijblijvend contact opnemen met ons kantoor via 036-5346220.

mr. Mirjam Davelaar -sectie Ondernemingsrecht – december 2015 –

* situatie waarbij een rechtsverhouding of verbintenis in een nieuwe wordt omgezet (vernieuwd) en waardoor de oude tenietgaat

Share on facebook
Share on google
Share on twitter
Share on linkedin

Okkerse & Schop Advocaten maakt voor deze website gebruik van cookies en daarmee vergelijkbare technieken. Cookies zijn kleine digitale tekstbestanden die in de browser worden geplaatst bij het bezoek aan een website. Okkerse & Schop Advocaten gebruikt functionele cookies om de website naar behoren te laten functioneren. Analytische cookies worden gebruikt om het websitegebruik te analyseren en de website te verbeteren. Met het gebruik van functionele cookies en analytische cookies worden geen persoonsgegevens verwerkt. U kunt uw cookievoorkeuren op ieder moment aanpassen door de instellingen van de browser te wijzigen. Raadpleeg ons privacy- en cookie statement voor meer informatie.