Beroepsfout staat vast, schade niet toewijsbaar; geen vereenzelviging vennootschap met directie ter zake indirecte schade en onvoldoende verband beroepsfout met directe schade

In een ver verleden verwerft eiser samen met zijn zakenpartner een terrein. Op basis van een advies van Boekel in 2000 stelt hij er van uit te zijn gegaan dat het terrein gesaneerd was. Omdat hij woningbouw wil realiseren vraagt hij nader advies bij Boekel omtrent de kosten van sanering van eventuele restverontreiniging. Het terrein blijkt ernstig vervuild. Eiser stelt dat door een medewerker van Boekel beroepsfouten zijn gemaakt bij de advisering ten tijde van de verkoop van het terrein. Dit gebeurde in de periode voordat een vennootschap van eiser werd opgericht. Deze vennootschap was dus geen klant van de medewerker,  evenmin blijkt dat zij dat later is geworden. De (onderhavige) schadestaatprocedure is een voortzetting van de hoofdprocedure, waarbij het Hof voor recht verklaarde dat Boekel een beroepsfout heeft gemaakt jegens eiser. Eiser stelt als gevolg van de beroepsfout van Boekel in totaal € 5.389.716,‐ schade te hebben geleden. In de procedure waarbij de vennootschap en Boekel partij waren is bij gewijsde vast komen te staan dat die vennootschap geen vordering heeft op Boekel wegens toerekenbaar tekortschieten. In die zaak is geen cassatie ingesteld. In deze schadestaatprocedure is een rapportage door eiser ingebracht, waaruit (kennelijk) volgt dat er sprake is van rechtstreekse schade van eiser en schade die via de band van de vennootschap voor vergoeding in aanmerking zouden komen volgens eiser. Hij stelt dat, indien Boekel geen fout zou hebben gemaakt, de  vennootschap dan niet zou zijn hebben bestaan. Al de schade van de vennootschap kan daarom worden opgevat als schade van eiser.

Een aantal schaderapporten is door eiser ingetrokken, de Rechtbank sluit daarom voor de boordeling aan bij het nog in het geding gelaten rapport en de daarin opgenomen schadeonderdelen. Een aantal van die onderdelen hebben – onbetwist – betrekking op kosten die door de vennootschap zijn gemaakt. Eiser erkent dat maar meent dat dit niet in de weg staat aan toewijzing van zijn vordering. Op grond van 7:419 BW en 7:424 BW en met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877 stelt eiser de schade op eigen naam te kunnen vorderen. De Rechtbank overweegt dat, nu in rechte  vaststaat dat de vennootschap geen vordering heeft op Boekel vanwege toerekenbare tekortkoming, diezelfde schade niet door eiser in deze procedure kan worden gevorderd. Eiser vordert een drietal schadeonderdelen als schade door hem zelf geleden. Causaal verband neemt de Rechtbank op grond van een overweging van het Hof als gegeven aan. Nog niet vastgesteld is in welke toestand eiser zou verkeren, van belang om de omvang van de schade te kunnen vaststellen, indien de beroepsfout niet zou zijn gemaakt. De Rechtbank oordeelt dat de vraag of de schade in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de  aansprakelijkheid berust dat zij de aangesprokene als gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend, moet worden beantwoord aan de hand van objectieve factoren. Ook wat naar objectief inzicht voorzienbaar of waarschijnlijk was zal een rol kunnen spelen. Het eerste schadeonderdeel kan niet aan de vaststaande beroepsfout van Boekel worden toegerekend omdat deze het gevolg is van een jaren eerder genomen beslissing van eiser om met hypotheekrechten versterkte vorderingen over te nemen. Tussen de resterende gestelde schadeonderdelen en de beroepsfout bestaat naar het oordeel van de Rechtbank onvoldoende verband, zodat ook deze posten niet toewijsbaar zijn. Partijen twisten nog over diverse aspecten waaronder de verhoging van een door eiser op persoonlijke titel afgesloten krediet tot een bedrag van € 4.5 mio. De rechtbank onderschrijft het standpunt van Boekel dat erop neerkomt dat de risico’s die eiser (bewust) heeft genomen om (fors) te investeren in de verdere ontwikkeling van het terrein in de gegeven omstandigheden niet tot de risico’s behoren met het oog waarop op Boekel ten tijde van de koop/verkoop van het terrein een onderzoeks‐ en waarschuwingsverplichting jegens eiser rustte. De daaruit voortvloeiende schade was ten tijde van de  beroepsfout van Boekel naar objectief inzicht ook niet waarschijnlijk. Geen van de aangevoerde posten kan uiteindelijk leiden tot toewijzing van het gevorderde. Desondanks compenseert de Rechtbank de proceskosten nu aan deze schadestaatprocedure het – vooralsnog vaststaande – rechtsfeit ten grondslag ligt dat Boekel een beroepsfout heeft gemaakt. Compensatie van kosten doet recht aan de omstandigheid dat Boekel over het geheel genomen (de hoofdprocedure en schadestaatprocedure in onderlinge samenhang bezien) op een belangrijk punt in het ongelijk is gesteld.

Mr. Robert Lonis, december 2017

Share on facebook
Share on google
Share on twitter
Share on linkedin

Vestiging Almere​

Versterkerstraat 4B
Postbus 10058
1301 AB Almere

T: 036 5346220 F: 036 5345984
E: advocaten@okkerse-schop.nl

Vestiging Lelystad

Zilverparkkade 6
Postbus 155
8200 AD Lelystad

T: 0320 289888 F: 0320 220155
E: advocaten@okkerse-schop.nl

Okkerse & Schop Advocaten maakt voor deze website gebruik van cookies en daarmee vergelijkbare technieken. Cookies zijn kleine digitale tekstbestanden die in de browser worden geplaatst bij het bezoek aan een website. Okkerse & Schop Advocaten gebruikt functionele cookies om de website naar behoren te laten functioneren. Analytische cookies worden gebruikt om het websitegebruik te analyseren en de website te verbeteren. Met het gebruik van functionele cookies en analytische cookies worden geen persoonsgegevens verwerkt. U kunt uw cookievoorkeuren op ieder moment aanpassen door de instellingen van de browser te wijzigen. Raadpleeg ons privacy- en cookie statement voor meer informatie.