Aansprakelijkheden van vennoten bij de commanditaire vennootschap

In het eerste halfjaar van 2015 heeft de Hoge Raad een tweetal arresten gewezen waarbij aansprakelijkheid van vennoten van een commanditaire vennootschap onderwerp van de voorgelegde geschillen was.

De bij wet geregelde rechtsvorm van de commanditaire vennootschap kent als bijzonderheid dat er enerzijds sprake is van een beherend vennoot, te weten degene die voor de buitenwacht, zoals leveranciers, afnemers en overige derden als degene wordt aangemerkt die de onderneming drijft en die voor de schulden van de vennootschap hoofdelijk aansprakelijk is. Daarnaast is er sprake van een ‘stille’ vennoot, oftewel de commanditaire vennoot, die formeel alleen als geldschieter van de CV optreedt en voor het overige op de achtergrond blijft.

Gedurende lange tijd is onduidelijkheid blijven bestaan, er zijn in de lagere jurisprudentie en literatuur uiteenlopende standpunten ingenomen, of de hoofdelijke aansprakelijkheid van de beherend vennoot betrekking had op alle schulden van de vennootschap of dat deze hoofdelijke aansprakelijkheid werd beperkt tot de schulden die gedurende het in functie zijn van de beherend vennoot opkwamen. Op 13 maart 2015 heeft de Hoge Raad evenwel beslist dat een beherend vennoot eveneens hoofdelijk verbonden is voor schulden die betrekking hebben op de periode voordat de vennoot is toegetreden. Daarbij wijst de Hoge Raad er op dat in de wettekst geen beperking is te vinden ten aanzien van hoofdelijkheid voor verbintenissen die zijn ontstaan na het toetreden van de vennoot, zodat er van uit moet worden gegaan dat de strekking van de betreffende bepalingen met zich brengt dat de verbondenheid van de alsdan toetredende vennoot al de vennootschapsschulden aangaat, ongeacht het ontstaansmoment daarvan. Al met al een arrest met mogelijk belangrijke gevolgen voor de (toetredende) vennoot in spé.

Ter voorkoming van onaangename verrassingen zal het immers noodzaak, maar in ieder geval wenselijk, zijn om een zeer goed beeld te krijgen van de positie van de vennootschap teneinde (voorzienbare maar ook onvoorziene) risico’s uit te kunnen sluiten. Dit geldt dan niet alleen voor de actuele financiële positie, baten en lasten, maar ook voor mogelijke aansprakelijkheden die zich nog zouden kunnen openbaren in verband met rechtshandelingen uit het verleden.

De commanditaire vennoot, ofwel de geldschieter, is – behoudens uitzonderingen, waarover hierna meer – slechts aansprakelijk voor het bedrag dat door hem in de vennootschap is ingebracht. Het is de commanditaire vennoot in dat verband verboden om daden van beheer te verrichten. Op dit punt onderscheidt de commanditaire vennootschap zich van de vennootschap onder firma, dat is immers slechts een samenwerkingsverband tussen beherend vennoten. Wanneer er door de commanditaire vennoot wel daden van beheer worden gepleegd, dan wordt ook hij conform het bepaalde in het Wetboek van Koophandel, artikel 20 tweede lid en artikel 21, voor al de schulden en verbintenissen van de vennootschap hoofdelijk verbonden geacht. Als dergelijk handelen wordt vastgesteld, spreekt men over overtreding van het “beheersverbod”. In de rechtspraak wordt een relatief strenge invulling van het begrip “beheersdaden” gehanteerd met tot gevolg mogelijk ernstige consequenties van overtreding van het beheersverbod door commanditaire vennoten. De commanditaire vennoot dient zich immers slechts te gedragen als commanditaire vennoot en mag zich niet op het speelveld van de beherende vennoten begeven.

Bij arrest van 29 mei 2015 is de Hoge Raad (zij het gedeeltelijk) teruggekomen van reeds lang uitgekristalliseerde rechtspraak (namelijk van januari 1943) door de sanctie van hoofdelijke aansprakelijkheid bij het verrichten van beheersdaden als commanditaire vennoot te nuanceren. In het berechte geval was er sprake van het mede-ondertekenen van een (tweetal) overeenkomst(en) van de CV. Het betrof in dit specifieke geval ondertekening van een huurovereenkomst door de ouders van de ondernemer/beherend vennoot, waarbij zij als commanditaire vennoten – op verzoek van de verhuurder en slechts in verband met de door deze verhuurder bedongen zekerheid in de vorm van een waarborgsom – de overeenkomst mede ondertekenden. De verhuurder was dan ook uitdrukkelijk op de hoogte van het feit dat de ouders van de beherend vennoot slechts als commanditaire vennoten optraden. Zowel de rechtbank in eerste aanleg als in hoger beroep het Hof oordeelden echter dat het ondertekenen van de huurovereenkomst bij aanvang en de beëindigingsovereenkomst voldoende waren om als daden van beheer te worden aangemerkt, met als gevolg hoofdelijke aansprakelijkheid voor schulden die waren ontstaan gedurende de exploitatie van de vennootschap. Er was kennelijk geen aanleiding gezien om daarop een uitzondering aan te nemen vanwege het feit dat de (enige) derde die bij de betreffende rechtshandelingen was betrokkenen, uitdrukkelijk op de hoogte was van het feit dat de commanditaire vennoten als zodanig hadden meegetekend.

De Procureur-Generaal zag in deze omstandigheid in ieder geval aanleiding om, in het belang van de wet, cassatie in te stellen. Bij de uitleg van het bepaalde in de relevante artikelen van het Wetboek van Koophandel was ten onrechte geen rekening gehouden met de omstandigheden van het geval. De strekking van de in artikel 21 WvK neergelegde sanctie is te voorkomen dat commanditaire vennoten die onduidelijkheid laten bestaan omtrent hun rechtspositie binnen een commanditaire vennootschap zich kunnen onttrekken aan de aansprakelijkheid die voor ‘gewone’ vennoten in de wet is neergelegd. Het gaat er daarbij om te voorkomen dat in het handelsverkeer en bij derden misverstanden en/of onduidelijkheid zou kunnen ontstaan ten aanzien van de hoedanigheid van de persoon met wie hij handelt of te maken heeft, ook voor wat betreft het al dan niet instaan met diens volledige vermogen voor de (rechts-)gevolgen van dat handelen.

Een dergelijk (zware) sanctie is dan ook slechts gerechtvaardigd indien en voor zover deze in overeenstemming is met de hiervoor bedoelde strekking. Een andersluidend uitgangspunt zou er toe leiden dat, wanneer een bepaald handelen van de commanditair vennoot dat eigenlijk niet rechtvaardigt, er sprake is van een onevenredige verhouding tot de aard en ernst van de schending van de wettelijke voorschriften.

Het is aan de rechter om te oordelen of een schending al dan niet gerechtvaardigd is of dat het gevolg van een schending dient te worden beperkt tot (hoofdelijkheid ten aanzien van de gevolgen van) bepaalde verbintenissen van de vennootschap. Het is aan de commanditaire vennoten om een en ander te stellen en te bewijzen. Het lijkt er dan op aan te komen dat wordt aangetoond dat er redelijkerwijs geen gevaar voor het ontstaan van een onjuiste indruk omtrent de hoedanigheid van de commanditaire vennoten te duchten is geweest. De rechtspraak dat tenminste enig verwijt ter zake aan de betrokken vennoot kan worden gemaakt, blijft daarbij gehandhaafd. Al met al blijft het toch oppassen voor de geldschieter.

Voor vragen naar aanleiding van deze bijdrage, neem gerust contact op.

Mr. Robert Lonis – sectie ondernemings- en insolventierecht – oktober 2015

Okkerse & Schop Advocaten maakt voor deze website gebruik van cookies en daarmee vergelijkbare technieken. Cookies zijn kleine digitale tekstbestanden die in de browser worden geplaatst bij het bezoek aan een website. Okkerse & Schop Advocaten gebruikt functionele cookies om de website naar behoren te laten functioneren. Analytische cookies worden gebruikt om het websitegebruik te analyseren en de website te verbeteren. Met het gebruik van functionele cookies en analytische cookies worden geen persoonsgegevens verwerkt. U kunt uw cookievoorkeuren op ieder moment aanpassen door de instellingen van de browser te wijzigen. Raadpleeg ons privacy- en cookie statement voor meer informatie.